Stijlstukje voor de VertalersVakschool: P.F. Thomése ‘J. Kessels: The Novel’

Ik kwam voor een Turkse pizza en nu kreeg ik dit: ook warm, ook lekker en ook enigszins exotisch, maar dan in een menselijke gedaante en zonder knoflooksaus. De hele scène, die net zo goed door J. Kessels zelf bedacht had kunnen zijn, was zo clichématig, dat ik hem zelf niet had kunnen bedenken. Door de welhaast filmische kwaliteit van de episode zou ik er nog dagen op kunnen teren. En dan bedoel ik niet op die fijne knoflookwalm, die de rest van de dag in mijn mond rond bleef hangen.

Ten eerste was de Anatoliet in kwestie zo wanstaltig hard met me aan het flirten, dat ik van lieverlede niet meer wist wat ik met mezelf aan moest. Ik stond daar maar een beetje te wachten en te glimlachen, in die veredelde kebabtent bij mij op de hoek, waarvan de bezoekers eigenlijk denken moesten dat het een bakkerij was, met croissantjes en gevulde koeken, terwijl er tegelijkertijd gewoon een stuk dood beest aan een spit ronddraaide.

Ondertussen kreeg ik het welhaast Spaans benauwd van die zenuwpezige Turkse muziek. Nee, dan liever J. Kessels’ muziek. Jongens als Townes van Zandt, die zich helaas had dood gezopen, wisten tenminste nog wat muziek was.

What would Townes do? Niet dat een Texaanse cowboy ooit een opgerolde Turkse pizza met sla zou eten, maar daar ging het hier nu natuurlijk niet om. Deze volstrekt hypothetische vraag had een heel ander doeleinde, namelijk zorgen dat het bloed, dat zich in mijn wangen verzameld leek te hebben, weer terug zou vloeien naar de rest van mijn lijf.

Toen ik de veel te knappe Turk, met zijn drie-dagen-baardje en zijn duivelse grijns, gezegd had dat ik mijn pizza graag mee wilde nemen, gooide hij al zijn charmes in de strijd om mij ertoe te bewegen die deegrol daar stante pede naar binnen te werken.

Dat ging dus niet gebeuren: met zo veel schoons in de buurt zouden mijn kaakspieren van de weeromstuit nauwelijks kunnen functioneren en kreeg ik bovendien een geheel ander soort honger, die niets te maken had met een tekort aan koolhydraten.

‘Hier opeten of meenemen?’

‘Eh, meenemen graag.’

‘Neeee, hier opeten toch?’

Plagerig grijnst de Turk me toe, waarbij de kebabcounter een dubbelrol als fysieke en culturele barrière vervult.

Uitgerekend vandaag ben ik zo uitgekakt als ik weet niet wat. Het kwartje valt zo langzaam, dat ik me evengoed op de maan zou kunnen bevinden. Kebabtenten zitten tegenwoordig toch overal.

‘Eh, nee, meenemen.’

‘Zeker weten?’ De ‘z’ klinkt duidelijk Turks, maar dat doet niets af aan de charmes van deze Anatoliet. Integendeel.

‘Ja, zeker weten.’

Hij geeft me de witte plastic zak, ik pak hem aan en langzaam draai ik me op mijn hielen om. Nooit kreeg ik het heter van een rol Turkse meuk.

Advertenties

Stijlstukje voor de VertalersVakschool: Peter Verhelst (Geinspireerd door ‘Tongkat’)

Bezweet loop ik de trappen af. Ik ben deze hitte niet gewend. Korreltjes fijn zand kriebelen op mijn voorhoofd, waar ze na een zoele windstoot zijn blijven plakken.
Af en toe moeten we naar boven, om te controleren of alles daar in orde is en er boven onze hoofden niets ongewoons is voorgevallen. Het is van levensbelang dat het zand schoon blijft, dat er niets in ons water terecht komt.
Hier beneden is het een stuk aangenamer. De zandlaag isoleert de watermassa, als ook de luchtlaag erboven.
Newton. Hij loopt op me af. Alhoewel we allemaal om beurten de zon in moeten blijft zijn huid steeds zo wit als melk en zijn haar altijd dezelfde kleur oranje, als een bos glanzende wortels. Zijn ogen zijn lichtgroen en zijn jukbeenderen steken uit, waardoor hij er met zijn bleke huid toch heel exotisch uitziet.
‘Gudrun,’ groet hij me, waarbij de bos wortels licht op en neer beweegt. Alles in orde?’
‘Ja, alles in orde. Ik heb geen onzuiverheden gedetecteerd. Wel verbeeld ik me dat de Grote Zoutberg opeens een stuk kleiner lijkt. Is dat jou ook opgevallen?’
‘Nee. Ik heb niets vreemds aan die berg kunnen ontdekken. En wat dan nog? Het is maar zout.’
Daar heeft hij gelijk in. Zout te over.
‘Maak je niet druk!’ Hij geeft me een schalkse knipoog, die het bloed naar mijn wangen doet stromen. Als we allebei ons weegs zijn gegaan, ontsnapt er een zucht over mijn lippen en vliegen twee vlinders een rondje in mijn buik.

Ik probeer haar voor me te winnen door in haar hoofd te kruipen. Net dacht ze dat ik een bijzonder aantrekkelijk jongmens was, en dat terwijl ik in het geheel niet voldoe aan de maatstaven voor schoonheid van het volk waartoe zij behoort: de bewoners van de planeet Aarde. Ik hoef maar te knipogen of ze valt in katzwijm.
Hopelijk heb ik haar ideeën betreft de Grote Zoutberg de wereld uit geholpen. Misschien moet ik met Thomas en Jerome een list bedenken, opdat we een plausibelere verklaring kunnen geven. Er is steeds minder zout. Tot nu toe heeft niemand dat opgemerkt.
Op Anthea zou ze een schoonheid genoemd worden, maar hier gaat ze op in de massa. Melkboerenhondenhaar, met grijze ogen.
Het zout bewaren we in een goed verborgen grot. Als we een ton verzameld hebben, zullen we de productie opstarten.
Ondertussen zing ik rond in mooie meisjeshoofden en wind ik ze allemaal om mijn vinger, bedwelm ik ze, tot het bloed heet door hun aderen kolkt en ze duizend zonnen zien wanneer ze hun ogen dichtdoen.
De mannen zet ik tegen elkaar op, dat is voldoende.

Stijlstukje voor de VertalersVakschool: Ilja Leonard Pfeijffer (Geinspireerd door ‘La Superba’)

De haren rezen mij te berge. Ontzet staarde ik naar het wezen dat zich tot twee seconden geleden nog ergens in de periferie van mijn blikveld had opgehouden. Jonathan, die op een even schrijnende als kolderieke manier door mijn toedoen verongelukt was, waarover ik – en cara, je begrijpt natuurlijk dat dit verhaal daarom tussen ons moet blijven – me nog altijd vreselijk schuldig voel, zat daar op een houten bankje, in de gedaante van een kater.

Hij moest het wel zijn: diepbruine, glanzende kraalogen, zijn vacht een melée van donkerbruine en zilvergrijze haren met een zandkleurige bef, precies Jonathans borsthaar. Verleidelijk kronkelde zijn staart, alsof hij wilde zeggen: Kom! Kom! Kom met me mee, achtervolg mij, aai mij! Loop mij achterna!

Nou ja, dat zal ik dan maar doen, dacht ik. Ik liep naar het bankje en aaide met mijn hand over zijn rug. Vlak boven de aanzet van zijn staart bleef ik hangen, kroelde daar wat. De ogen lichtten op, de kop boog iets naar rechts, smekend keek hij me aan. Ik aaide zijn staart, voorzichtig, van boven naar beneden en weer terug.

Dat had ik dus beter niet kunnen doen. Meteen een haal in de mouw van m’n nieuwe jas. En nu waren de bruine kraaloogjes boos, alsof Jonathan zeggen wilde: aan mijn staart zitten – nee, nooit van je leven. Niet na wat jij mij geflikt hebt.

Wat een pisbeest. Nijdig vervolgde ik mijn wandeltocht naar de Universiteitsbibliotheek.

Toen ik me had opgekruld in een knus hoekje naast de verwarming in een van de vele leeszalen en ik mijn werk tevoorschijn had gehaald, dwaalden mijn gedachten vrijwel direct af.

Kon Jonathan, vlak voordat hij te pletter viel, in een kat veranderd zijn? Katten kwamen immers altijd op hun pootjes terecht. Blijkbaar was Jonathan nog steeds boos op me en mocht ik daarom niet aan zijn staart zitten. Hij was boos op me geworden, toen ik hem pestte met zijn vreemde voorliefde voor dikke negerinnen, die hij, zo had hij me ooit eens na iets te veel Laphroaigh verteld, waanzinnig sexy vond. Maar dat mocht niemand weten; want dat deed afbreuk aan zijn persona van serieuze wetenschapper.

Natuurlijk had ik niet de intentie gehad om hem in zijn driftigheid te laten struikelen over zijn eigen benen en hem van het balkon af te laten vallen; dat had ik niet gewild. Ik, haast platte, Hollandse bleekscheet, was gewoon jaloers geweest op die negerinnen en genoot ervan om hem een beetje op stang te jagen. Zijn haar ging er zo leuk van fladderen.

Nou en toen was Jonathan, op wie ik al maanden en maanden heimelijk verliefd was, want dat geplaag was natuurlijk gewoon een vreemde uiting van liefde, dus over de rand van het balkon getuimeld en zo op de Leidse kinderkopjes geklapt. Niemand had ik nog durven vertellen wat er werkelijk gebeurd was en waarom hij zo vreemd aan zijn einde gekomen was. Zijn moeder begreep er niets van.

Nu was hij dus dood en was ik een beetje de weg kwijt. Mijn rare hersens hadden gesuggereerd dat die kater op Jonathan leek en trokken dat vervolgens niet eens in twijfel. Dit mag de uitgeverij in Amsterdam natuurlijk nooit ter oren komen, cara. Ze zullen geen woord, zelfs geen letter meer van me willen uitgeven.

Maar goed, opdat ik nimmer meer de spot zal drijven met zijn voorliefde voor volle, Afrikaanse vrouwen, kwam Jonathan mij dus nu pesten, in de gedaante van een kater die, behalve dat hij tot een andere diersoort behoorde, precies zijn evenbeeld was, van zijn rommelige snorharen tot het springerige, donkerbruine puntje van zijn staart. En iedere keer dat ik langs het Gerecht of de Pieterskerk naar de faculteit of de bibliotheek liep, kwam ik dat stomme beest tegen. Hem aaien durfde ik niet meer.

Misschien zal Jonathan, bruingrijze kater van het Pieterskerkplein, wel eeuwig door Leiden blijven ronddolen, gepikeerd en boos omdat ik hem alle kans op roem ontnomen heb.

England (2011)

England,

I’m only a foreigner,

but England,

I begin to understand,

under Queen’s command,

is a meritocracy

in which the aristocracy

still has the upper hand.

 

England,

you are pregnant,

at sixteen.

England,

you are stagnant,

with 8 percent

unemployment.

 

England,

I love you, England,

but you’re ill.

Thatcher has made

you limp,

England.

Narcissism,

England,

has made you stare,

inwards not out.

 

England,

you’re a rock,

you’re an island.

A fortress deep and mighty.

England,

there is more than

England.

Why do you only

speak English,

England?


“Chavs”,

England,

what an ugly word,

something before

I never heard.

England,

part of you

is ignorant and sad,

and it makes me mad.

 

England,

little children on a leash,

England,

babies in MacDonalds,

England,

whole families in tracksuits,

drunken grannies,

and Polish-speaking nannies.

 

There is money,

England,

get yourself together,

England,

you once ruled the waves.

 

England,

I love you,

but you’re messy,

and at the same time

classy.

England,

you have your very own

style and swagger.

 

Rule! Brittania,

Rule the waves,

Britons never will be slaves.

elevator pitch

Op hoge poten been ik van de receptie van de Haagse Toren in de richting van de lift. Letterlijk en figuurlijk, want ik moest zo nodig mijn nieuwe killer heels aan. Daardoor moest ik ook pantykousjes aan. Die trok ik van de zenuwen kapot, waardoor ik voor vertrek mijn hele kast door moest graven op zoek naar een ander paar, zonder ladders, de trein miste, en er een later moest nemen. ‘Vaf**!’ ‘Idiota!’ ‘Che cazzo!’ klinkt het Italiaans en boos in mijn hoofd.

Ik druk op het knopje van de lift, neem een teug lucht, laat mijn schouders weer zakken en wacht. Als de lift er is en ik naar binnen stap, glipt er nog gauw iemand naarbinnen. Ik hoor het geklak van haar hakken. Ik draai me om en maak per ongeluk meteen oogcontact.

‘Hallo,’ zegt een mevrouw in mantelpak. Moet je ook helemaal naar boven?’

‘Ja. Gelukkig heb ik geen hoogtevrees.’ Ik druk op het knopje waar ’42’ op staat.

‘Nee, ik ook niet. Het uitzicht is prachtig daarboven. Soms raak ik wel eens een beetje afgeleid tijdens de vergaderingen.’

‘Ja, dat wil ik wel geloven. Als mijn afspraak voorbij is, ga ik ook even het uitzicht bewonderen.’ Ik glimlach, maar mijn stem trilt.

‘Vertel me anders even wie je bent. Dat is goed tegen de zenuwen. En dan zijn we een stuk sneller boven.’ De mevrouw kijkt nieuwsgierig mijn kant uit. Haar hoofd gaat even naar beneden; ik vat het maar op als een bemoedigend knikje.

Ik steek mijn hand naar haar uit.

‘Dag. Anna Visser’

‘Marilaine van den Bergh.’

‘Ik ben hier voor een gesprek met een uitgever. Ik ben namelijk literair vertaler. Of eigenlijk, dat wil ik graag worden. Ik heb Engels en Amerikaanse geschiedenis gestudeerd, in Leiden, en volg nu een opleiding literair vertalen in Amsterdam. Ik houd ontzettend van taal en van literatuur. En ik schrijf ook heel graag. Tot nu toe vooral korte verhalen en gedichten, gewoon voor mezelf. Maar ik heb ook een eigen website, en ik zou graag artikelen schrijven, over muziek, cultuur, koken en reizen. En boeken vertalen natuurlijk. Ik probeer nu aan het werk te komen als freelancer. Het liefst zou ik voor de helft leven van mijn pen, door te schrijven en te vertalen, en voor de andere helft door samen te werken met andere mensen. Ik wil niet alleen maar eenzaam thuis achter mijn bureau zitten, ik wil ook nog iets nuttigs doen, iets sociaals. Hopelijk vindt de uitgeverij wat ik allemaal bedacht heb een goed idee! Dan ben ik weer een stapje verder.’

‘Nou, kind, wat interessant allemaal! Ik weet niet wat je precies bedacht hebt, maar zorg dat je hem impakt, die uitgever. Nu ben je in ieder geval je ergste zenuwen kwijt. Zelf ben ik consultant, voor reclamebureau’s. Ik zal je mijn kaartje geven, wie weet komt het nog eens van pas.’

‘Bedankt. Ik heb er ook een voor u, als u wilt.’ De mevrouw pakt mijn kaartje aan. Tegelijkertijd schuiven de deuren van de lift open.

‘Dankjewel. Wat leuk, met die appeltjes. Succes met je gesprek. Tot ziens hoor!’

‘U ook succes. Dag!’

Stijlstukje voor de VertalersVakschool: Willem Frederik Hermans, geinspireerd door ‘Nooit meer slapen’

Op de wond boven mijn linkeroog zit een zwarte korst. Ik moet me beheersen om die er niet af te krabben. Er zou wel eens een mooi litteken van kunnen komen. Een mooie piratenlijntje boven mijn oog, met kleine dwarsstreepjes. Voor elke dag in de wildernis een streepje. Veertig streepjes. Zou het litteken daar dan wel groot genoeg voor zijn?Aandachtig bekijk ik haar mond. Dat liplezen is soms verdraaid lastig. Waar we vroeger aan een half woord genoeg hadden, lijkt het nu bijna alsof we ieder van een ander continent komen. We praten met handen en voeten en we begrijpen elkaar nauwelijks. Ergens vind ik het wel komisch dat Juliette nu zo haar best voor me moet doen. Eerder gaf ze me op harde toon allerlei bevelen, die ik dan maar opvolgde. Ik dacht dat ik haar daar gelukkig mee maakte. Bovendien had protesteren weinig zin.

Nu hoor ik helemaal niets meer, ook geen bevelen. Die stilte is best aangenaam.  Na een tijdje zie ik Juliette’s lippen niet meer bewegen. Haar Wil je ook een kopje koffie? Koffie, Karel? Koffie? KOFFIE? KOF-FIE, KA-REL? gaat, alhoewel ze zeer duidelijk articuleert, grotendeels aan mij voorbij.Ik staar in de verte. Weer zie ik het berglandschap, de nevel rond de bergtoppen en de kolkende bergbeek. Ik hoor het water stromen, klotsen. Dan opeens een felle pijnscheut in mijn rechtervoet. En een oorverdovend suizen in mijn oren. Ik doe mijn ogen maar dicht, zodat ik de bergen even achter me kan laten. Mijn oren bedek ik met mijn handen en ik trek mijn knieën op, zodat mijn wollen sokken nu op de rand van de stoel rusten. Zo blijf ik een tijdje zitten.

Behoedzaam open ik mijn ogen weer. Ik tuur door het spleetje tussen mijn knieën. Er staat een dampende mok koffie op de salontafel. Mijn roestkleurige wollen sokken moeten gestopt worden, want de nagel van mijn linker grote teen schemert door het weefsel heen. Aan de donkergroene trijp waarop mijn voeten rusten zijn wat pluizen blijven hangen. Nu ik zo aandachtig de sok aan mijn linkervoet heb bekeken, en ook het gebiedje eromheen, kijk ik ook naar mijn rechtervoet, die braaf maar houterig naast de linker staat. Mijn voet, die het niet meer doet. Sinds ik mezelf met moeite uit het koude water van de bergbeek heb gehesen is mijn voet ermee opgehouden. Ik had dan ook het gewicht van die ander moeten dragen.

We waren met ons vlot op een grote steen stukgevaren. Hoe heeft dat toch kunnen gebeuren? Ik begrijp het nog steeds niet. Het ene moment had ik het roer, mijn peddel, nog vast – want ik stuurde nu eenmaal graag. Het volgende moment lag ik wild watertrappelend en naar adem happend in het water. Na een plotselinge draai van 180 graden sloegen we om en werden we door het water meegesleurd. We waren twee machteloze speelballen in een gevaarlijke, met stenen bezaaide bedding.

Ik had geluk gehad. Piet helaas niet. Die viel meteen met zijn achterhoofd op een kei. Overmand door blinde paniek was ik achter hem aan gezwommen. Pas honderden meters verder kreeg ik hem te pakken. Maar toen gaf hij al geen antwoord meer. Stil bleven de waterdruppels liggen op zijn vettige voorhoofd. Zeep hadden we niet. Was nergens voor nodig, zei Piet.

Stijlstukje voor de VertalersVakschool: Gerard Reve, geinspireerd door ‘Nader tot u’

De hele treinreis lang staarde hij uit het raam, alsof God daar voorbij ging, nee, alsof Hij toefde, te midden van de kuddes schapen en koeien in de Hollandse velden. Naarmate de reis vorderde en hij, Goddelijk met zijn blonde krullen, zijn mooie rechte neus en zijn Borsthaar, maar niet uitstapte en wij beiden dichterbij onze bestemming geraakten begon ik, met een kater van gisteren en kleine oogjes, er in de naweeën van mijn delirium – door te veel wijn met de Kampioenen van L. gisteren –steeds verder van overtuigd te raken dat de jongen schuin tegenover mij, waar ik tot dan toe nog geen woord mee had gewisseld, en die zat op een even zo groen en plakkerig leren bankstel van de Nederlandse Spoorwegen, voor mij De Jongen was.

Misschien moest ik maar over hem schrijven; want dat ik moest schrijven stond vast, ik moest immers toch ergens van leven? En als het dan moest, dan maar over zo’n mooi exemplaar als hij. Dan zou hij wonen in een oud huis, met allerlei ongure huisgenoten, die er stiekem allemaal naar verlangden om zijn Geheim Opening te vullen, liefst allemaal tegelijk en ad infinitum, terwijl hij, die lieverd, naïef als hij was, daar natuurlijk geen flauw benul van had. Want de Goddelijk Jongen, ook al had hij een platte, strakke buik en was zijn uiterlijk nog zo ruig, was eigenlijk een heel lieve jongen, die iedere zondag per trein helemaal van Alkmaar naar Heerjansdam reisde om aldaar een bezoek te brengen aan zijn moeder, die hem liefdevol had opgevoed nadat zijn vader, die ploert uit Rotterdam, er vandoor was gegaan met een of ander viswijf uit de haven. Nu woonde de Goddelijke Jongen dus in Alkmaar, omdat hij daar werk had gevonden bij een grote meubelmakerij, sedert tientallen jaren gevestigd aan de Hoornsevaart en een gerenommeerd adres voor onder andere getimmerde houten tuinbankjes en handgedraaid houtwerk, waarin de Goddelijke Jongen een expert was. Onder zijn handen veranderden knoestige stronken hout in wulpse stoelen en stevige, harde tafels.

Als hij onderweg was naar zijn moeder staarde de Goddelijk Jongen meestal maar wat naar buiten, denkend aan het buurmeisje van zijn moeder, dat hij met een beetje geluk weer zou zien, onkruid wiedend in de groentetuin van haar moeder, die het goed kon vinden met zijn eigen moeder. Soms bespiedde hij vanuit zijn ooghoeken tegelijkertijd zijn medepassagiers, als ze tenminste mooi genoeg waren om naar te kijken, wat soms wel degelijk het geval was – zoals vandaag: er zat zowaar een knap wezen schuin tegenover hem! Ze had iets liefs, iets hemels, iets maagdelijks. Maar ze zag ook wat pips.

Misschien moest ik iets zeggen tegen de Goddelijke Jongen? ‘Weelderig Borsthaar is een teken van potentie’ had Boezemvriendin A. uit L. de vorige week nog tegen me gezegd. Eigenlijk moest ik dus zorgen dat ik als de wiedeweerga een gesprek met deze Goddelijke Jongen aanknoopte. Alleen op die manier kon ik ervoor zorgen dat Boezemvriendin A. en ik die hypothese eens goed nader konden onderzoeken. Boezemvriendin A. kon dat dan voor mij doen, terwijl ik haar eigen Prijsdier, die toch flink wat haar op zijn borst had, en van wie ik ook dacht dat hij wel eens De Jongen zou kunnen zijn, dan eens zou berijden – aangezien A. mij had verteld dat hun relatie strikt in het Platonische zat en aangezien zij geloofde dat God het hun niet toestond met elkaar te vrijen voordat ze het heilige Sacrament hadden afgelegd. Wat haar Prijsdier tot die tijd deed maakte haar dan weer weinig uit, zolang hij uiteindelijk maar met haar trouwde. En als ik haar vertelde de dat de jongen in kwestie Goddelijk was zou ze vast wel door de knieën gaan; ze zou er immers dichter door bij God komen, dichter bij was haast niet mogelijk – tenzij je de Dood in de armen zou vallen natuurlijk. Zo bekeken was het misschien gemakkelijker als de trein met al haar inzittenden terstond verongelukte.

Stijlstukje voor de VertalersVakschool: Harry Mulisch, geinspireerd door ‘Het Stenen Bruidsbed’

Waarom had hij zijn vader achtergelaten? Van de één op de andere dag was hij veranderd in een collaborateur, een lafaard die heulde met de Duitsers, een ontaarde zoon die plotseling het huis verliet en zich aansloot bij de moffenminnende NSB’ers. Tot op de dag van vandaag, tot op het uur waarop hij in zijn favoriete oortjesstoel was gaan zitten en tot op de minuut waarin hij nu zijn pijp aan het stoppen was, had hij daar spijt van.

Die dag in 1943, waarop hij eindelijk het monsterlijke labyrint van Mussert had weten binnen te dringen en bij die verachtelijke man in de wagen had mogen stappen, was begonnen als een belangrijke overwinning op de Duitsers, maar geëindigd als een tragedie. Toen ze de Waalbrug op hadden willen rijden hadden zich op het midden van de brug een groepje mensen verzameld. Een man had zich juist van de brug af laten storten in het snelstromende water van de Waal, schreeuwend en wel.

Die morgen nog, zo bleek later uit het politierapport, had iemand de man met betraande ogen en starend in de verte op de brug zien staan, terwijl hij prevelde ‘Mijn zoon, een verrader? Hoe kan dat nu? Mijn zoon, een verrader? Hij was altijd zo moedig, zo heldhaftig. Niets was hem te gortig; altijd ging hij de strijd aan met de monsters van deze wereld, stierenkoppen die het woord mens onwaardig zijn. En nu heeft hij zich aangesloten bij die smerige Mussert. Hoe is het mogelijk?’ De vriendelijke voorbijganger had hem geprobeerd te troosten, maar was daarin, pratend als een brugman, niet geslaagd.
‘Wat is er loos?’ had Tessel met zijn hoofd uit het door hem open gedraaide raampje van de wagen gevraagd aan één van de brigadiers.
‘Een oude baas heeft zich van het leven beroofd. Naar ’t schijnt is z’n zoon een verrader.’
Tessel had het portier opengegooid, was de auto uitgesprongen en stond in drie stappen aan de reling van de brug, zonder dat hij het wist precies op de plek waar enkele minuten geleden zijn vader nog had gestaan, voordat hij over de reling heen was geklommen en zich in de Styx had laten vallen, zonder Charon zijn muntje te geven. De straffe wind op de brug maakte golven op het water die ook in zijn haar zaten, en zijn haar waaide naar waar het golfde.
‘Niets meer van te zien, meneer Mussert’, had Tessel gezegd terwijl hij rustig weer instapte, nog geheel in het ongewisse omtrent het lot van zijn vader, maar toch met een wat vreemd gevoel in zijn onderbuik.

Blauwe rook kringelde uit Tessel’s pijp en kronkelde onnavolgbaar als de Meander door de zonnige voorkamer. Zijn gehavende gezicht stond op oneindig, een witte lok viel over het litteken op zijn slaap. Hij had de stier geslacht, zijn taak volbracht, de NSB een flinke knauw gegeven. Maar de zwarte zeilen had hij, onnadenkend in al zijn trots, even zo gemakkelijk laten hangen.

 

Stijlstukje voor de VertalersVakschool: Louis Couperus, geinspireerd door ‘Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan’

Le hasard

Zachtjes mijmerend zat zij in haar Franse fauteuil, klein en breekbaar, alsof zij ieder ogenblik in duizend stukjes uiteen zoû kunnen vallen. Zij radoteerde niet. Haar geest was nog helder, het geheugen nog niet aangetast. Het was slechts haar fragilité, die haar thans zo aan huis bond. Zo alleenig en vol weemoed naar voorbije ogenblikken zittende in haar stoel, kwam het haar voor, terwijl de zon zo vriendelijk en warm door het venster scheen en het donkere glimmende hout van de meubeltjes in de salon deed oplichten, dat de zon gelukkig nooit verdwijnen zoû.

Er waren thans al zòò vele zaken voorgevallen in haar leven, dat zij hierom eenerzijds wel verdriet kon voelen, omdat zij voorbij waren gegaan, maar anderzijds toch ook wel berusten kon in haar rustige leventje au présent, omdat zij wel begreep dat aan alles een einde kwam. Zo zat zij dus, in haar fragilité, strijdende een tweestrijd die steevast eindigde in een gelijk spel, waarbij noch de weemoed, noch de berusting in ’t heden ooit de overhand kreeg.

Dit bedeesde doch tevreden oud mensje, Miepje de Catelaere, was de suikertante van een hoop klein grut, de kleinkinderen van het oudste kind van haar zuster, Adèle, en van diens echtgenoot, Mr. Eduard De Visser. De oudste van de vijf kinderen van de famille De Visser was Louise, een prachtig, blond meisje van twaalf jaar oud, dat al de air van een jeune fille begon te krijgen. Haar ogen waren twee grote helblauwe bergmeren, die ijzig koud konden zijn, maar toch ook helder en glanzend waren, zijnde als twee spiegels die op deden lichten welke angsten en sympathieën er in het knappe blonde hoofdje omgingen. Soms, in het bijzonder als het meisje Louise haar zin niet kreeg, waren de bergmeren dus ijzig koud – maar helemaal bevroren waren ze nimmer.

Dit meiske Louise, dit warm-koude blonde elfje, zou die middag haar oudtante bezoeken, voor de eerste maal helemaal alleen, omdat zij haar graag mocht, maar bovenal ook omdat zij beliefde het oude mensje iets te vragen, waarvoor zijn niet de courage had het aan haar eigen lieve oma te vragen. Adèle had het bezoek van haar Louise aan de oude mevrouw De Catelaere toegejuicht, denkende dat het zeker geen kwaad kon, daar de oude heer De Catelaere in zijn tijd een vermaard dokter was geweest, maar zijnde van eenvoudige komaf – il n’avait su que faire de son argent. En Mr. De Visser, die toch in Leiden zijn titel behaald had, summa cum laude, was wel advocaat bij een gerenommeerd kantoor, maar de famille was met vijf kinderen en de oude mevrouw De Visser en twee dienstmeiden toch een aardige multitude, die altijd hongerde.

–Dag lieve kind! Kijk toch eens, wat ben je al weer groot geworden! Zo, zo, zo. Je wordt al een echte dame. –Dag mevrouw De Catelaere. Het kind boog zich voorover en kuste zacht de gerimpelde wang van het oude mensje. Ze had lang nagedacht hoe ze te weten kon komen wat haar oma toch bedoelde als ze op een onbewaakt ogenblik zachtjes zuchtte en prevelde ‘le hasard,’ fluisterend, met in haar stem iets vreemds, iets duisters, dat het kind van haar lieve oma helemaal niet kende.

HET LOT, HET GELUK, of, HET ONGELUK. Wat zou dat toch zijn? Het was vast iets van lang, lang geleden. Haar oma had er nooit over gesproken. Maar de laatste tijd zuchtte oma De Visser steeds vaker en stonden haar ronde bruine oogjes zo triest en donkerden ze bovendien steeds, alsof er over haar gemoed een dreigend wolkendek trok.